Johannes .A.J. van den Bosch
Koos van den Bosch de junior die nooit terugkeerden
Er zijn van die verhalen die je niet meer loslaten. Niet omdat ze groot zijn, maar omdat ze zo klein zijn. Zo menselijk. Zo oneerlijk.
Het verhaal van Johannes Aart Jacobus van den Bosch, roepnaam Koos, is er zo één.
Koos wordt geboren op 27 juni 1927 in Rotterdam, als zoon van Jacobus Gerrit van den Bosch en Maria Johanna Ilmer. Zijn vader is havenarbeider, caféhouder, bokser in zijn vrije tijd een man van handen, van kracht, van karakter. Zijn moeder houdt het gezin draaiende in de wijk Hillesluis, op de Beijerlandselaan 167b.
Koos groeit op in een gewoon Rotterdams gezin, met een jongere zus, in een buurt waar de stoep het speelveld is en waar jongens leren rennen voordat ze leren lopen. Hij is een “pootige voetballer”, zeggen ze thuis. Een jongen met talent, met energie, met dromen.
Een jonge Feijenoorder
In september 1938 meldt Koos zich aan bij de ballotage van Feijenoord.
Hij is dan elf jaar oud.
Een jaar later duikt zijn naam op in het clubblad, met adressen die klinken als een wandeling door Rotterdam‑Zuid: de Bloemfonteinstraat, de Slaghekstraat, en uiteindelijk de Beijerlandselaan.
Koos voetbalt in de jeugd, traint hard, en droomt van De Kuip.
Niet als toeschouwer, maar als speler.
Als Feijenoorder.
Op 9 november 1944, één dag voor de razzia, traint hij nog.
10 november 1944 De grote razzia
Het is vroeg in de ochtend wanneer er hard op de deur wordt gebonsd.
De wijk is omsingeld.
Duitse soldaten marcheren door de straten, laarzen op de stoeptegels, geweren in de aanslag.
Het is de grote razzia van Rotterdam en Schiedam.
Twee dagen lang worden 50.000 mannen opgepakt.
Bijna 10.000 van hen worden afgevoerd naar Duitsland.
Vader Van den Bosch is 52 en mag blijven.
Koos is 17 en moet mee.
Hij wordt naar De Kuip gebracht het stadion waar hij zo vaak van heeft gedroomd.
Maar nu staat hij er niet met een bal aan zijn voet, maar met een geweer op hem gericht.
De tocht naar Wezep
De groep wordt via binnenwateren naar Amsterdam gebracht, daarna naar Kampen, en vervolgens te voet naar “Het Lager” in Wezep.
Het is koud.
Het regent.
De mannen lopen in colonne, bewaakt door soldaten.
In Wezep worden ze ondergebracht in een bioscoopzaal.
Onder hen is ook Jaap Folst, een vriendje van Koos uit de buurt.
Wanneer vader Van den Bosch hoort waar zijn zoon is, reist hij hem achterna.
Hij vindt hem.
En hij besluit zich bij de groep aan te sluiten.
Vader en zoon zijn weer samen.
Maar niet voor lang.
20 november 1944 De vluchtpoging
Op 20 november moeten de mannen naar het station van Wezep.
Ze zullen per trein naar Duitsland worden afgevoerd.
Langs de colonne loopt vader Van den Bosch.
Hij roept zijn zoon.
Ze zien elkaar.
Heel even.
Dan gaat het mis.
Koos probeert te vluchten.
Maar hij rent de verkeerde kant op niet naar het bos, maar recht op een groep Duitse soldaten af.
Hij wordt ter plekke doodgeschoten.
Zijn vader, verblind door woede en wanhoop, valt de soldaten aan.
Hij gebruikt zijn bokskwaliteiten, slaat, schreeuwt, vecht.
Hij wordt doodgeslagen.
Twee Rotterdammers, vader en zoon, sterven op dezelfde plek.
Op dezelfde dag.
Binnen enkele seconden.
Jaren van stilte
De lichamen van Koos, zijn vader en drie andere razziaslachtoffers blijven jarenlang spoorloos.
De plek van de executie raakt overwoekerd, vergeten, bedekt door tijd en zand.
Pas in juli 1956, bij graafwerkzaamheden voor een nieuwe handgranaatbaan op het militaire terrein in Wezep, worden de vijf mannen gevonden.
Koos heeft zijn rood‑witte Feyenoord‑sjaal nog om.
Herbegraven in Loenen
Op 21 augustus 1956 worden Koos en zijn vader herbegraven op het Nationaal Ereveld Loenen.
Koos in vak E, nummer 178.
Zijn vader in vak E, nummer 179.
Hun moeder, inmiddels hertrouwd, krijgt een brief van de Oorlogsgravenstichting.
Of zij een dienst wil bij de herbegrafenis.
Of er een dominee aanwezig moet zijn.
Of zij nog iets wil zeggen.
Het antwoord is kort, maar veelzeggend:
“Wij zouden het op prijs stellen als er een dominee bij de herbegrafenis aanwezig was.”
Zijn naam blijft bestaan
Koos van den Bosch staat op het KNVB‑monument, tussen de voetballers die de oorlog niet overleefden.
Zijn shirt hangt in De Kuip.
Zijn verhaal wordt verteld in boeken, artikelen, herdenkingen.
Hij was 17.
Hij was een Feijenoorder.
Hij was een zoon.
Hij was een jongen die nog alles moest worden.
En hij keerde nooit terug naar zijn Kuip.
Sommige verhalen zijn te groot om klein te houden.
Het verhaal van Koos van den Bosch is er zo één.
Een jongen die droomde van voetbal.
Een vader die zijn zoon niet wilde laten gaan.
Een razzia die een stad verlamde.
Een vluchtpoging die verkeerd afliep.
Een sjaal die elf jaar lang onder de grond lag.
En een club die hem nooit meer vergeet.
Koos van den Bosch.
Feijenoorder.
Razziaslachtoffer.
Zoon van Rotterdam.
Een naam die blijft.
begraven eerenveld Loenen graf nr 178
staat ook op het KNVB-monument zeist.
zijn vader is niet vermeld op de droeven lijst maar licht naast hem begraven graf nr 179




