Arie Codée
De Rotterdammer die Verdween in de Laatste Schaduw van de Oorlog .
Er zijn oorlogsslachtoffers die in één klap verdwijnen.
En er zijn er die langzaam oplossen, stap voor stap, tot zelfs de administratie niet meer weet waar ze gebleven zijn.
Arie Codée hoort bij die laatste groep. Een jongen uit Rotterdam Zuid, die in de laatste, chaotische maanden van de oorlog werd meegesleurd in een systeem dat zelf al op instorten stond.
Een Jong Leven in Rotterdam Zuid
Arie Codée werd geboren op 24 november 1920 in Rotterdam. Hij groeide op in een gewoon arbeidersgezin, op adressen die je overal in de stad had kunnen vinden. Uiteindelijk woonde hij aan de Beukendaal 67, in Rotterdam Zuid.
Hij werkte als kantoorbediende een beroep dat weinig bescherming bood in een tijd waarin de bezetter steeds harder ingreep in het dagelijks leven.
En zoals zoveel jongens uit die wijken was hij lid van Feijenoord.
Hij werd aangenomen als lid per 1 december 1934 (bron: De Feijenoorder, 1935‑1).
Een dertienjarige jongen die zich aansloot bij de club waar half Zuid mee opgroeide.
In september 1940 verschijnt zijn naam opnieuw in De Feijenoorder:
“afvoeren. Codée A.” (bron: De Feijenoorder, 1940‑9)
Een administratieve term: zijn lidmaatschap werd beëindigd.
Waarom, dat weten we niet.
Maar het zegt wél dat hij erbij hoorde dat hij deel uitmaakte van die grote rood witte familie.
De Arrestatie 23 januari 1945
Op 23 januari 1945 stond de Sicherheitsdienst bij hem voor de deur.
In de documenten staat het zoals dat in die tijd ging:
“Op 25 Januari 1945 door de S.D. gevangen genomen te zijnen huize Beukendaal 67.”
Er staat niet waarom.
Er staat niet wie hem aanwees.
Er staat alleen dát hij werd meegenomen.
Vanuit Rotterdam werd hij naar Scheveningen gebracht, het Oranjehotel. De kaart uit het Nationaal Archief plaatst hem officieel in de categorie politieke gevangenen een term die in die tijd alles kon betekenen, behalve dat je iets had misdaan.
Kamp Amersfoort Nummer 10610
Vanuit Scheveningen ging Arie naar Kamp Amersfoort. Daar werd hij op 1 februari 1945 geregistreerd onder nummer 10610.
In de administratie staat:
“Schutzhaft beantragt.”
Een term die niets met bescherming te maken had, maar alles met willekeur.
Hij bleef maar één dag in Amersfoort. Op 2 februari ging hij op transport naar Duitsland.
Neuengamme Nummer 70599
Tussen 2 en 4 februari 1945 kwam Arie aan in concentratiekamp Neuengamme, bij Hamburg. Zijn nieuwe nummer werd 70599.
Neuengamme was geen kamp om te overleven. Het was een fabriek van uitputting.
Maar Arie bleef er niet lang.
Wöbbelin De Laatste Hel
Op 14 of 15 februari werd hij doorgestuurd naar Wöbbelin, een buitenkamp dat pas net bestond. Er waren geen voorzieningen, geen voedsel, geen medische zorg.
Toch zagen medegevangenen hem daar op 2 mei 1945 nog. Zijn gezondheid was “redelijk”, al had hij een hoofdwond en was hij “gedeeltelijk geschokt”.
Zijn vader schreef later dat Arie in een ziekenhuis in Dnjepropetrowsk had gelegen, met een geheugenstoornis “die door de moffen erin geslagen is”.
Het is een van de weinige persoonlijke getuigenissen die we hebben en het laat zien hoe kwetsbaar Arie al was, nog voordat de bevrijding kwam.
Transport in de Chaos
In de laatste oorlogsweken was niets meer logisch.
Sommige gevangenen werden bevrijd, anderen opnieuw weggevoerd.
Een getuige verklaarde dat Arie op 30 april of 1 mei op transport werd gezet, richting het oosten.
Andere documenten spreken van Ludwigslust, waar de Amerikanen een noodhospitaal hadden ingericht.
Het Rode Kruis concludeerde later dat Arie daar waarschijnlijk is opgenomen, maar niet meer geïdentificeerd kon worden.
31 mei 1945 Ludwigslust
De officiële overlijdensdatum is 31 mei 1945.
In de administratie staat:
“Codée, Arie 31.05.1945 Ludwigslust.”
Hij was 24 jaar.
Waar hij precies begraven ligt, is onbekend.
De Zoektocht De Kaarten van Identificatie
Na de oorlog bleef Arie spoorloos. Zijn familie zocht jarenlang naar duidelijkheid.
De Dienst Identificatie en Berging opende meerdere dossiers voor hem.
Op één van de kaarten staat met de hand geschreven: “massagraf.”
Dat ene woord zegt alles.
Ergens in Duitsland was een graf geopend, en men wist niet wie er lagen.
Misschien zat Arie ertussen. Misschien ook niet. Maar men moest het zeker weten.
Daarom werd een volledige persoonsbeschrijving opgesteld.
Niet door een ambtenaar maar door zijn vader en zijn broer.
Onderaan de papieren staan hun namen als contactpersonen.
Zij waren het die zijn lengte doorgaven.
Zijn postuur.
Zijn gezicht.
Zijn haar.
Zijn littekens.
Zijn tanden.
En zij waren het die opschreven wat hij droeg op de dag dat hij werd weggevoerd.
Zijn overjas.
Zijn kostuum.
Zijn overhemd.
Zijn schoenen en sokken.
Niet als gok, niet als reconstructie maar omdat zij hem die ochtend nog hadden gezien.
Omdat zij wisten hoe hij de deur uitging, niet wetend dat dit de laatste keer was dat iemand hem zo zou zien.
Het zijn stille documenten, maar ze spreken hard.
Ze vertellen niet alleen dat Arie verdwenen was
ze vertellen dat hij gemist werd.
Een Rotterdammer, een Feijenoorder, een Mens
Arie Codée was geen soldaat, geen verzetsheld in de klassieke zin.
Hij was een jongen die werd weggehaald uit zijn huis, in een tijd waarin niemand nog grip had op zijn eigen lot.
Maar hij was ook een Feijenoorder.
Een lid sinds 1934.
Een jongen die op Varkenoord liep, die de clubkleuren droeg, die onderdeel was van die grote rood‑witte familie.

