kaart uit de Cartotheek

kaart uit de Joodsche Raad Cartotheek

Leendert Droomer

Als je vandaag door Rotterdam loopt, zie je nergens meer iets dat aan Leendert Droomer herinnert. Geen straatnaam, geen plaquette, geen foto in een café. En toch leefde hij hier, zestien jaar lang. Een jongen van vlees en bloed, met dromen, gewoontes, irritaties, en waarschijnlijk een voorkeur voor een bepaalde plek in de klas.

Het is vreemd hoe een leven kan verdwijnen zonder dat de stad het merkt.

De jongen van de Anna Paulownastraat
In de jaren dertig was de Anna Paulownastraat een gewone Rotterdamse straat. Kinderen speelden er, moeders hingen was uit het raam, vaders kwamen thuis met hun broodtrommel.

Op nummer 54a woonde de familie Droomer. Vader Levie, moeder Roosje, en hun zoon Leendert. Geen bijzonder gezin. Geen rijkdom, geen armoede. Gewoon mensen die hun best deden.

Leendert werd geboren op 4 maart 1926, in een stad die toen nog vol vertrouwen naar de toekomst keek. Hij groeide op in een tijd waarin je als jongen vooral moest rennen, voetballen, leren, en af en toe luisteren naar je ouders.

En dat deed hij. Tenminste, meestal.

Feijenoord
In 1938 werd Leendert aspirant‑lid van Feijenoord. Dat staat ergens in een vergeeld clubblad, maar het zegt genoeg.

Je ziet hem zo voor je: een jongen die op zaterdagochtend vroeg zijn fiets pakt, de Maasbrug over, richting Varkenoord. Misschien met een bal onder zijn arm. Misschien met een vriendje naast hem.

Feijenoord was toen al meer dan een club. Het was een gevoel. Een identiteit. En Leendert hoorde erbij.

Dat detail dat ene zinnetje in dat ene clubblad maakt hem ineens tastbaar. Hij was geen naam op een lijst. Hij was een jongen die van voetbal hield.

De stad verandert
Maar dan komt 1940.
De bommen vallen. De stad brandt.

En daarna wordt alles anders.

Voor Joodse gezinnen zoals de Droomers verandert de stad langzaam in een doolhof van verboden. Eerst mag je niet meer naar het zwembad. Dan niet meer naar de bioscoop. Dan niet meer naar je eigen school.
Op 1 december 1942 wordt hij na een vordering van de Rijkscommissaris uitgeschreven als lid van Feijenoord.

Leendert was veertien toen de eerste regels kwamen. Vijftien toen hij niet meer naar Feijenoord mocht. Zestien toen hij niet meer vrij over straat kon.

Het moet verwarrend zijn geweest.
Je bent zestien. Je wilt leven. En ineens mag niets meer.

4 augustus 1942
De datum staat in de papieren alsof het een administratieve handeling was.

“4 AUG. 1942 – R’dam, Anna Paulownastr. 54a”

Maar het was de dag dat Leendert werd weggehaald.

Geen sirenes. Geen drama. Gewoon een klop op de deur. Een naam op een lijst. Een jongen die zijn jas pakt.

Misschien keek hij nog één keer om.
Misschien zei hij niets.
Misschien zei hij te veel.

We zullen het nooit weten.

Wat we wel weten: hij kwam diezelfde dag aan in Westerbork.

Westerbork
Westerbork was geen eindpunt.
Het was een wachtkamer.

Leendert zat er drie dagen.
Drie dagen waarin je als zestienjarige moet beseffen dat je leven niet meer van jou is.

En dan, op 7 augustus 1942, het transport.
Een trein.
Een nummer.
Een bestemming waar niemand de naam hardop wilde zeggen.

Auschwitz
De documenten spreken de taal van een kantoor.
Een taal die niet past bij wat er gebeurde.

“Der Schüler Leendert Droomer… ist am 2. September 1942 verstorben.”
“Endesursache: Rippenfellentzündung.”

Alsof een jongen van zestien in een kamp sterft aan een ontsteking.
Alsof iemand daar nog geloofde in medische oorzaken.

Nederland noteerde later 30 september.
Auschwitz noteerde 2 september.

De waarheid ligt ergens tussen die twee data.
Maar het maakt eigenlijk niet uit.

Wat telt is dat hij zestien was.
Zestien.

Het gezin valt stil
Zijn ouders, Levie en Roosje, stierven dezelfde maand.
Het hele gezin Droomer weg.

Een familie die in de jaren dertig gewoon meedraaide in Rotterdam, die contributie betaalde aan Feijenoord, die verhuisde, werkte, leefde in één maand uitgewist.


Wat blijft zijn papieren.
Kaarten.
Stempels.
Een overlijdensakte uit Auschwitz met een handtekening van een Duitse ambtenaar die waarschijnlijk nooit heeft geweten wie Leendert was.

Maar als je goed kijkt, zie je meer.
Je ziet een jongen die student was.
Een jongen die van voetbal hield.
Een jongen die in Rotterdam woonde, in een straat waar nu mensen lopen die zijn naam niet kennen.

En toch is hij er nog.
In de documenten.
In de verhalen.
In dit hoofdstuk.

Niet als nummer.
Niet als datum.
Maar als Leendert.
Een jongen van zestien.

staat op het holocaust namen monument Amsterdam

staat op het KNVB monument Zeist.