Salomon Velleman

Salomon Velleman

Elisabeth Velleman de Vries

Elisabeth de Vries Velleman

alex velleman

Alex Velleman

Salomon Velleman


Een Rotterdamse tragedie in rood wit
Er zijn van die foto’s die je niet meer loslaten.
Een vrouw met zachte ogen en een speldje in haar haar.
Een man met een bril, een nette das, een blik die iets tussen ernst en vriendelijkheid in heeft.
Een baby op zijn buik, nieuwsgierig naar de wereld die hem nog maar net had leren kennen.
En een foto van drie mensen onder een boog van klimop, alsof het leven nog heel lang zou duren.

Het zijn foto’s van de familie Velleman.
Een familie die ooit gewoon was.
Gewoon Rotterdams.
Gewoon Feijenoord.
Gewoon menselijk.
Tot de geschiedenis besloot dat gewoon niet genoeg was.

De jongen die leraar werd
Salomon Velleman werd geboren op 26 augustus 1913, in een stad die toen nog geloofde in vooruitgang. Hij groeide op aan het Van Alkemadeplein, in een Joods gezin dat hard werkte en langzaam omhoogklom. Zijn vader, Hartog Alexander, begon als fabrieksarbeider en eindigde in een bibliotheek. Zijn moeder, Lena Leons, hield het gezin bij elkaar zoals moeders dat doen: stil, onzichtbaar, maar onmisbaar.

Salomon was slim.
Rustig.
Een jongen die leraar werd  een beroep dat in die tijd nog iets plechtigs had.
Een leraar was iemand die de toekomst vormde.

En ergens in die jaren werd hij lid van Feijenoord.
Mei 1936: voorgedragen.
Augustus 1936: aangenomen.

Je ziet hem bijna lopen: een nette jongen, misschien met een boek onder zijn arm, op weg naar Varkenoord. om te spelen, en om erbij te horen. Feijenoord was toen nog een familie. En Salomon hoorde erbij.

Elisabeth
En dan was daar Elisabeth de Vries.
Liesje, voor wie haar kende.

Ze was geboren in 1912, dochter van Jesaja de Vries en Sara Preger.
Haar broer, Herman, was slager. Een Feijenoorder. Een man die je kon vertrouwen met een mes én met een geheim.

Er is een romantische gedachte die blijft hangen:
Misschien stelde Herman zijn zus voor aan zijn kameraad Salomon.
Misschien was het liefde op het eerste gezicht.
Misschien was het gewoon logisch.

Ze trouwden op 1 mei 1940.
Tien dagen later viel Rotterdam.

Het is alsof het leven hen nog één dag gunde.

Jack
Op een foto zie je een baby op zijn buik, met grote ogen en een trui die met liefde is gebreid.
Dat is Jack.
Geboren op 9 oktober 1940.
Een kind in een stad die nog naar rook rook.

Hij overleed op 21 juli 1941.
Acht maanden oud.

De rouwadvertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad was kort en hartverscheurend:

“Heden overleed plotseling tot onze diepe droefheid, onze innig geliefde Zoon, Kleinzoon en Neef JACK.”

Geen bezoek.
Geen uitleg.
Alleen verdriet.

Op 1 november 1941 stuurt de Rijkscommissaris een order naar administrateur Phida Wolff dat Velleman uitgeschreven moet worden als lid van Feijenoord.

Alexander
In 1942 werd Alexander geboren.
Een jongetje dat nooit zou leren lopen.
Nooit zou leren praten.
Nooit zou weten wie zijn ouders waren.

Hij werd op 24 februari 1943 door de politie overgebracht naar het Israëlitisch Weeshuis aan de Mathenesserlaan.
Zijn ouders zaten toen al vast.

Een baby in een wereld die geen plaats meer had voor Joodse kinderen.

De arrestatie
Op 12 maart 1943 werden Salomon en Elisabeth opgepakt.
Niet omdat ze iets hadden gedaan.
Niet omdat ze schuldig waren.
Maar omdat ze Joods waren.

Ze werden als strafgevallen ingesloten in barak 66 van Westerbork.
Een barak waar de lucht dik was van angst en waar kinderen huilden zonder te weten waarom.

Op een Duitse lijst van “strafällige Juden” staan hun namen.
Droog.
Koud.
Zonder context.
Zonder menselijkheid.

Westerbork
Westerbork was geen kamp van prikkeldraad alleen.
Het was een kamp van wachten.
Van hopen dat je naam níet werd voorgelezen op dinsdag.

Maar op 11 mei 1943 kwam hun naam op de lijst.
Transport 72.
Bestemming: Sobibor.

Sobibor
De treinreis duurde drie dagen.
Drie dagen waarin de wereld steeds kleiner werd.
Drie dagen waarin niemand nog deed alsof.

Op 14 mei 1943 kwam de trein aan.
Elisabeth en Alexander werden direct vermoord.
Geen afscheid.
Geen laatste woorden.
Geen tijd.

Salomon werd geselecteerd voor dwangarbeid.
Niet omdat hij geluk had, maar omdat hij sterk genoeg leek om te werken.

Dorohucza
Hij werd naar Dorohucza gestuurd, een turfstekerskamp in Polen.
Een plek waar mannen stierven van uitputting, honger en kou.
Een plek waar de dood geen verrassing was, maar routine.

Op 30 november 1943 stierf Salomon.
Dertig jaar oud.
Een leraar.
Een vader.
Een Feijenoorder.
Een mens.

De familie die achterbleef
Zijn ouders, Hartog en Lena, werden op 20 maart 1943 in Sobibor vermoord.
Zijn zwager Herman de Vries werd in Auschwitz vermoord.
Zijn schoonmoeder, Sara Preger, overleefde de oorlog en verloor al haar kinderen en kleinkinderen.

Henry Velleman, een familielid, schreef later:

“Sara was de enige die overbleef. Een zuster van mijn moeder. De rest… allemaal weg.”

staat op het
holocaust namen monument Amsterdam

staat ook op het KNVB-monument Zeist.